Direct naar inhoud

Meld je aan voor de NDFF nieuwsbrief

Aanmelden Opent in een nieuw venster

Volg ons

01.201 Monitoring van amfibieën in Nederland (NEM)

Type protocol

Onderzoeksmethode

Protocol beheerder

RAVON

Looptijd

Van 1-1-1997 tot heden

Doelsoorten

Omschrijving

Het monitoringsmeetnet is in eerste instantie gericht op gebieden waar aandachtssoorten voorkomen. In deze gebieden kan echter de ontwikkeling van de algemene soorten belangrijke aanvullende informatie geven.

Binnen de gebieden met aandachtssoorten volgen we dan ook alle soorten amfibieën, dus ook de algemeen voorkomende soorten. Met de veldbezoeken worden dus gegevens verzameld van alle soorten die in je gebied voorkomen. Het meetnet levert informatie voor de toestand en de verandering van amfibieënpopulaties in Nederland in samenwerking met het CBS.
Voor de verschillende soorten zijn deelprotocollen gemaakt vanwege de uiteenlopende onderzoeksmethoden die worden gebruikt.

1.201a standaard protocol alle soorten
Alle aanwezige amfibiesoorten worden geregistreerd. Monitoring dient plaats te vinden in de maanden februari t/m september (daarbuiten worden de waarnemingen op ongeldig gezet) en het streven is vier veldbezoeken. Bij de standaardmonitoring worden meerdere inventarisatie methoden gebruikt: na benadering van een water dan eerst luisteren, daarna (voorzichtig) langs de oever langslopen en zichtwaarnemingen doen en vervolgens kan geschept worden met een steeknet. Waarnemingen van de knoflookpad, vuursalamander, geelbuikvuurpad en vroedmeesterpad (en deels boomkikker) worden binnen het Meetnet protocollair op ongeldig gezet omdat deze zijn ondergebracht bij de soortgerichte routes.

1.201b fuiken
Alle aanwezige amfibiesoorten worden geregistreerd. Monitoring dient plaats te vinden in de maanden februari t/m september (daarbuiten worden de waarnemingen op ongeldig gezet). Fuiken worden doorgaans ’s avonds geplaatst en ’s ochtends gecontroleerd. Met deze methode worden voornamelijk ingezet om watersalamanders en amfibielarven gevangen. Met deze methode worden dus nauwelijks tot geen gegevens verzameld van eieren, kikkers en padden.
Voor het deelprogramma aantalsmonitoring kamsalamander worden met door RAVON geleverde fuikjes de watersalamanders geteld door zes fuikjes per poel te plaatsen, 2 a 3x in de periode 15 april t/m 31 mei.

1.201c luisterroutes rugstreeppad
Middels deze methode kan met een beperkte inspanning ’s avonds een relatief groot gebied worden onderzocht op de aanwezigheid van rugstreeppadden. Op de fiets of met de auto kan er op vaste locaties worden gestopt voor 1 a 2 minuten om te luisteren of er kooractiviteit is. De periode is half april t/m mei en het streven is drie veldbezoeken. Inzicht in de soort is noodzakelijk om de beste avonden te kunnen voorspellen dat er kooractiviteit is. Bijwaarnemingen worden op ongeldig gezet.

1.201d luisterroutes boomkikker
Middels deze methode kan met een beperkte inspanning ’s avonds een relatief groot gebied worden onderzocht op de aanwezigheid van boomkikkers. Op vaste locaties (bij wateren) wordt er geluisterd naar kooractiviteit. De periode is half april-mei en het streven is één tot drie bezoeken. Inzicht in de soort is noodzakelijk om de beste avonden te kunnen voorspellen dat er kooractiviteit is. Bijwaarnemingen worden op ongeldig gezet. Idem voor juveniele telrondes.

1.201e luisterroutes knoflookpad
De knoflookpad roept onderwater. Dat is ten dele met blote oor te beluisteren en/of met hydrofoon. Voortplantingswateren worden beluisterd op de aanwezigheid van de soort en het aantal roepende dieren wordt genoteerd. De periode is half april-mei en het streven is één tot drie bezoeken. Bijwaarnemingen worden op ongeldig gezet.

1.201f landtraject vuursalamander
De vuursalamander wordt ‘s avonds gezocht door het lopen van een vast landtransect. Het liefst als het regent met een temperatuur van boven de 8 ºC. In principe kan het hele jaar rond vuursalamanders worden gevonden, met hogere trefkans gedurende het voorjaar en najaar. Alleen (sub)adulte dieren worden gebruikt bij indexberekeningen. Juvenielen en larven worden protocollair op ongeldig gezet. Idem voor bijwaarnemingen.

1.201g geelbuikvuurpadmonitoring
De (sub)adulte geelbuikvuurpad wordt gedurende juni t/m augustus geteld door de oevers van de wateren te bekijken. Indexen worden berekend wat door professionals worden verzameld in de historische leefgebieden en in de nieuwe uitgezette leefgebieden (pas als er indicatie is dat de nieuwe populatie handhavend is, dus na zo’n 5 jaar).

1.201h vroedmeesterpadmonitoring
Larven van de vroedmeesterpad wordt gedurende juni t/m augustus gevangen met steeknet en geteld. Indexen worden berekend met veldgegevens die door professionals worden verzameld.

Vereisten inventarisatie

Gerelateerde downloads

Deel deze pagina